
Wanneer een onderneming failliet gaat, speelt de vraag wie welk risico draagt in de laatste fase vóór het faillissement. De Hoge Raad heeft op 13 maart 2026 in een zaak tussen een curator en Rabobank een belangrijk arrest gewezen over de grenzen van saldering binnen een rekening‑courantverhouding. De uitspraak brengt duidelijkheid, maar laat ook zien dat deze duidelijkheid voor banken in de praktijk lastig kan uitpakken. Dit kan in een beslissende fase kort voor een dreigend faillissement ook vervelende gevolgen hebben voor ondernemingen in problemen.
Rekening‑courantverhouding met de bank
Het probleem doet zich voor als er sprake is van een rekening-courantverhouding met de bank met een kredietlimiet.
In de normale situatie zal de bank als er een betaling op de bankrekening binnen komt, dit binnenkomende bedrag afboeken op de openstaande schuld van de onderneming bij de bank. Dit noemen we verrekenen. De schuld aan de bank wordt daardoor lager.
Als de onderneming vervolgens een betaling doet, neemt de schuld aan de bank weer toe. De bank zal dit toestaan, als de totale schuld maar binnen de kredietlimiet blijft.
Als de bank ermee bekend is dat een faillissement aanstaande is mag de bank niet meer verrekenen. Dat had de Hoge Raad al in een eerdere uitspraak bepaald. De bank mag binnenkomende betalingen dan dus niet meer afboeken op de schuld die de onderneming bij haar heeft. Dat geld moet namelijk op grond van artikel 54 Faillissementswet beschikbaar blijven voor de afwikkeling van het komende faillissement. De bank zou anders door haar bijzondere positie in het betalingsverkeer voorrang hebben op andere schuldeisers. In plaats daarvan moet de bank dan het geld afdragen aan de curator.
Dat lijkt een duidelijke regel. Maar er bleef een vraag open staan. Want wat is de positie van de bank, als de onderneming zelf het binnenkomende geld alweer vóór faillissement heeft uitgegeven? Moet dan de bank het bedrag dat oorspronkelijk was binnengekomen toch afdragen aan de curator, ondanks dat het alweer is uitgegeven?
Situatie in het arrest
Dat was namelijk precies wat hier was gebeurd. De bank had, in de periode waarin zij niet meer mocht verrekenen, betalingen namens de onderneming ontvangen. De onderneming had deze bedragen vervolgens voor een belangrijk deel weer uitgegeven.
Het standpunt van de bank: een netto‑benadering
Rabobank verdedigde een begrijpelijk standpunt. De bank erkende dat er sprake was van het verrekeningsverbod van artikel 54 Faillissementswet. Maar zij betoogde dat dit verbod niet verder mocht reiken dan het daadwerkelijke voordeel dat zij had genoten.
Volgens de bank mocht de curator daarom slechts terugvorderen:
- het bedrag dat in de relevante periode was binnengekomen,
- minus het bedrag dat de onderneming vóór faillissement alweer had uitgegeven.
Het geld dat de onderneming inmiddels alweer had uitgegeven, had er immers voor gezorgd dat de vordering van de bank op de onderneming weer was opgelopen. De bank had dus door haar positie geen voordeel ten opzichte van andere schuldeisers.
De benadering van de curator
De curator koos voor een principiëlere benadering. Het feit dat de onderneming het geld vóór faillissement weer had uitgegeven, mocht volgens deze visie niet in mindering komen op de verplichting van de bank om het bedrag aan de boedel af te dragen.
De keuze van de Hoge Raad
De Hoge Raad volgt de curator. Daarmee wordt het risico van de uitgaven door de onderneming in de betreffende periode volledig bij de bank gelegd.
Waarom dit voor banken ongemakkelijk is
Zo lang de bank het krediet niet heeft opgezegd, kan zij betaalopdrachten van de onderneming niet weigeren. Dat zou geen probleem zijn als zij mag salderen zoals de bank had voorgesteld. Het risico van de bank is dan namelijk nooit groter dan de kredietlimiet die zij met de onderneming heeft afgesproken.
Daar mag de bank dus niet meer van uit gaan. Want door deze uitspraak van de Hoge Raad kan het kredietrisico van de bank hard oplopen in de betreffende periode. Zeker bij klanten met een actief betalingsverkeer. Daarmee wordt het risico veel hoger dan door de bank bij het aangaan van de kredietovereenkomst was voorzien.
Probleem voor de praktijk
Omdat de banken door deze uitspraak meer risico’s lopen dan zij tot dit moment dachten, zullen zij moeten nadenken hoe zij met deze extra risico’s om willen gaan. Dat kan betekenen dat zij voorzichtiger worden bij het verstrekken van krediet. Maar zeker ook, dat zij wellicht eerder als een onderneming in problemen komt het krediet zullen opzeggen. Wat voor een onderneming die tracht om een faillissement te voorkomen de genadeslag kan zijn.
Dit specifieke probleem komt vooral voor bij retailers, denk aan een onderneming met winkel of een winkelketen. Dat zijn ondernemingen die rechtstreeks aan de klant leveren en waar weinig tijd zit tussen sluiten van de koopovereenkomst en de betaling. In dat geval kan de bank zijn positie niet verzekeren met een pandrecht op de vordering van de klant. Hierdoor loopt de bank het eerder beschreven risico. Dit probleem zal dus niet bij elke soort onderneming spelen.
Mogelijk dat de soep daarom in veel gevallen niet zo heet wordt gegeten als zij op dit moment wordt opgediend. Maar zeker bij retailers zal er moeten worden gekeken naar oplossingen.
Deze lijken ook denkbaar. Mocht je zelf met deze problemen te maken hebben, dan willen we je daar graag bij ondersteunen.