Rood beeldmerk van Rutten & Welling Advocaten
12 mei 2020

Een eerste uitspraak over de coronacrisis en ‘onvoorziene omstandigheden’

Vrijwel het hele bedrijfsleven, zowel groot als klein, wordt al weken getroffen door gevolgen van de coronacrisis en de intelligente lockdown. De omzet staat zwaar onder druk en de 1,5 meter samenleving is de komende tijd een feit. De coronacrisis heeft gevolgen voor lopende contracten. Partijen kunnen door de crisis gemaakte afspraken niet of niet volledig of niet op tijd nakomen en er ontstaan discussies over de ‘interpretatie’ van bepalingen in contracten.

En het moet zeker ook direct zijn gezegd. In veruit de meeste gevallen worden problemen, in goed overleg, onderling opgelost. Maar wanneer dit niet (meer) mogelijk blijkt te zijn, rest doorgaans enkel de weg naar de rechter. Hoe oordeelt deze over de uitzonderlijke situatie die de uitbraak van het coronavirus met zich mee heeft gebracht waar het betreft (niet) nakoming van overeenkomsten?

We hebben er even op moeten wachten, maar op 29 april 2020 is een eerste uitspraak gedaan door (de speciale handelskamer van) de rechtbank Amsterdam. Wat kan uit deze eerste uitspraak worden afgeleid? Hieronder zal de uitspraak  kort worden besproken.

Vooraf wens ik wel direct de kanttekening te plaatsen, dat het een eerste uitspraak betreft van een lagere rechter en we moeten afwachten of deze lijn door andere en hogere rechters wordt gevolgd. Wij houden u uiteraard op de hoogte.

 

Het beroep op ‘onvoorziene omstandigheden’

De uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 april 2020[1], zogezegd de primeur. In die zaak was een intentieverklaring tussen partijen gesloten, waarbij was afgesproken dat als er geen overeenkomst tot stand zou komen, de verwerende partij een aanzienlijke fee moest betalen (30 miljoen euro). Er lagen twee vragen voor bij de rechter. Ten eerste de vraag of er een overeenkomst tot stand was gekomen. En ten tweede – als dat niet zo was – of de fee (volledig) betaald moest worden. De verwerende partij beriep zich op ‘onvoorziene omstandigheden’. De coronacrisis was een ten tijde van het aangaan van de intentieverklaring onvoorziene omstandigheid en daarom moesten de afspraken over de fee uit de intentieverklaring worden gewijzigd of verminderd, zo voerde de verwerende partij aan.

Enige uitleg vooraf: Artikel 6:258 van het Burgerlijk Wetboek maakt het mogelijk dat de rechter op verzoek van een der partijen op grond van ‘onvoorziene omstandigheden’ ingrijpt in de rechtsgevolgen van een overeenkomst, onder meer door die rechtsgevolgen te wijzigen. Vereist is dat de onvoorziene omstandigheden van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten.

De rechter oordeelde dat tussen partijen geen koopovereenkomst tot stand is gekomen. Maar het meest belangrijk is uiteraard het oordeel van de rechter ten aanzien van het beroep op de coronacrisis als ‘onvoorziene omstandigheid’ waardoor de vervangende fee niet, althans niet in die omvang, zou behoeven te worden betaald.

De rechter oordeelt dat de coronacrisis mogelijk een ‘onvoorziene omstandigheid’ is, maar niet van dien aard dat de verkoper in het bewuste geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, geen ongewijzigde instandhouding van de fee-verplichting mag verwachten. Partijen hadden in casu immers tevoren al vastgelegd, dat de fee als zodanig een redelijk alternatief is wanneer geen overeenkomst tot stand komt. Indien en wanneer de gevolgen van de coronacrisis zeer groot zijn, kan de vervangende fee zelfs een gunstige uitweg bieden om van de deal af te kunnen zien.

 

Belang van een goede motivering

De bewuste uitspraak lijkt op het eerste gezicht wellicht ietwat teleurstellend. Het tegendeel is het geval. Een beroep op de coronacrisis als ‘onvoorziene omstandigheid’ kan wel degelijk slagen, maar de rechter lijkt een bijzonder groot belang te hechten aan een grondige onderbouwing/motivering van de standpunten. Het enkel zich beroepen op de coronacrisis met de gedachte dat dit de inhoud van een overeenkomst terzijde schuift of wijzigt, is zondermeer onvoldoende.

Ieder geval is anders en telkenmale zal de rechter, afgaande op de strekking van de uitspraak van 29 april 2020, hebben te kijken naar de ‘feiten en omstandigheden van het geval’. De rechter heeft uiteindelijk de afweging te maken over wat naar zijn of haar mening een eerlijke verdeling van risico’s is voor partijen.

 

Conclusie

Het zich beroepen op de coronacrisis als zijnde een ‘onvoorziene omstandigheid’ welke een overeenkomst heeft te wijzigen, brengt de nodige voorbereiding en huiswerk met zich mee. Maar eigenlijk ligt dit volledig in lijn met de algemene gedachte, om eerst te trachten om in ‘goed onderling overleg’ tot aanvaardbare oplossingen te komen. Wanneer een partij goede en solide argumenten heeft welke aanpassing van een overeenkomst rechtvaardigen, dan zal dit eerder kunnen rekenen op een gewillig oor bij de andere partij of partijen.

 

ACTIEPUNTEN

  1. Mocht u van mening zijn dat u een evident (financieel) nadeel lijdt vanwege de coronacrisis, breng dan eerst goed de oorzaak (corona/intelligente lockdown) en de directe gevolgen hiervan in beeld. Een en ander voorzien van een deugdelijke motivatie.
  2. Overweegt u om een beroep te (gaan) doen op ‘onvoorziene omstandigheden’? Neemt u dan contact met ons op. Wij denken graag met u mee.

 

mr. Patrice Hoogeveen

[1] ECLI:NL:RBAMS:2020:2406