Mag een werknemer tijdens werktijd gevonden geld behouden?

Een werknemer treft geld aan in een printer, die als afval is aangeboden aan een afvalverwerkingsbedrijf.  Wie is de (on)gelukkige vinder? Het antwoord op deze vraag is van belang, omdat een vinder eigenaar van het geld kan worden.

De casus

Een werknemer haalt in opdracht van zijn werkgever (afvalverwerkingsbedrijf) diverse  soorten elektronische apparatuur uit elkaar, die bij de milieustraat worden ingeleverd. In een gedumpte printer vindt hij geheel onverwacht een groot geldbedrag (€ 15.100,-). Hij doet aangifte van zijn vondst bij de gemeente en meldt zijn vondst ook bij zijn (leidinggevende van de) werkgever. Zijn werkgever eist afgifte van de (geld)vondst, maar de werknemer weigert. De werkgever doet vervolgens aangifte van verduistering in dienstbetrekking, maar het Openbaar Ministerie weigert vervolging in te stellen. Het conflict leidt tot twee rechtszaken. De werknemer stelt zich op het standpunt dat hij de vinder van het geldbedrag is en hij het bedrag onder zich mag houden totdat hij eigenaar daarvan wordt. De werkgever vordert afgifte van het geld. Wie heeft er gelijk?

De wet

Volgens de wetdient een vinder met bekwame spoed aangifte te doen binnen de gemeente waar hij de (onbeheerde) zaak heeft gevonden. Dit leidt uitzondering indien de vinder dit meldt aan degene die hij als eigenaar mocht beschouwen. Als de vinder de zaak heeft gevonden in een gebouw, woning of vervoermiddel, dient hij de vondst tevens te melden aan de bewoner of exploitant. Als na een periode van 1 jaar (na de mededeling of aangifte) de zaak niet is opgeëist, wordt de vinder de eigenaar daarvan. De oorspronkelijke eigenaar heeft dus maximaal 1 jaar de tijd om de zaak van de vinder op te eisen. De vinder heeft dan wel recht op een beloning.

De eigenaar van de gedumpte printer heeft afstand daarvan gedaan door deze bij de milieustraat af te geven2. De eigenaar van de milieustraat (werkgever) wordt daardoor  eigenaar van de oude printer. Maar wordt hij daardoor ook de eigenaar van het  aangetroffen geld in de printer?

De kantonrechter

Bij de kantonrechter stelde de werkgever dat hij eigenaar van de printer is en daardoor ook eigenaar van het geld. De kantonrechter was echter van oordeel dat de werkgever geen eigenaar van het geld is geworden, omdat de eigenaar van de printer alleen de bedoeling had om de printer te geven aan de milieustraat en niet het geld. De werknemer werd als vinder van een onbeheerde zaak aangemerkt en hij had gedaan wat de wet van hem verwacht. Hij mocht het geld onder zich houden voor de eigenaar.

Het hof 3

In hoger beroep heeft de werkgever de stelling ingenomen dat niet de werknemer, maar hij de vinder van het geldbedrag is, omdat de werknemer het geld heeft gevonden tijdens zijn werkzaamheden, welke uitgevoerd werden in opdracht van werkgever.  Het hof  komt tot een ander oordeel dan de kantonrechter. Volgens de wetsgeschiedenis, aldus het hof, dient de rechter het begrip ‘’vinder’’ zo nodig nader te bepalen. Volgens het hof is de werkgever nog geen vinder doordat zij werknemer werkzaamheden heeft opgedragen, waardoor deze het geld heeft gevonden. Aan de werknemer is namelijk niet de opdracht verstrekt om verloren zaken te gaan zoeken. Daar is dus meer voor nodig. Van belang is dat een afvalverwerkingsbedrijf naar haar aard werkzaamheden verricht, bestaande uit het demonteren van zaken. Het was dus helemaal geen toeval dat het geld in de printer is ontdekt, gezien de bedrijfsactiviteiten van werkgever en gezien dat de werknemer in opdracht van werkgever in een afgesloten ruimte apparaten demonteerde. Het is wel toeval dat de betreffende werknemer het geld heeft gevonden. Dit had namelijk ook een van zijn collega’s kunnen zijn. Omdat de werkgever de opdracht heeft verstrekt is hij de vinder, die daardoor het geld onder zich mag houden. De werknemer werd dan ook verplicht het geld aan zijn werkgever ter beschikking te stellen, die het geld dient te gaan beheren voor de eigenaar.

Is de werkgever dan eigenaar geworden van het geld?

Dat is (nog) niet het geval.  De verjaringstermijn van 1 jaar was namelijk nog niet verstreken. Van groter belang is dat het afvalverwerkingsbedrijf zelf nooit aangifte heeft gedaan van de ontdekking. Aangifte moet volgens de wet ‘’met bekwame spoed’’ worden gedaan! Vraag is of de werkgever daar na 2 jaar nog aan kan voldoen. Of heeft zij aan deze eis voldaan, omdat de werknemer aangifte heeft gedaan (hoewel hij geen opdracht daartoe had van zijn werkgever)? 4 5

Wordt de werkgever ooit eigenaar van de geldsom?

Het is nog maar de vraag of de werkgever ooit de eigenaar van de geldsom wordt.

Cruciale vraag is of werkgever wel eigenaar van het geld kan worden. Daarbij zij opgemerkt dat als de werkgever geen eigenaar op basis van ’vinderschap’ wordt, zij dat volgens het hof alsnog kan worden door ‘bevrijdende verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit’. Ik meen dat het standpunt van het hof op dit punt onjuist is. Als vinder is de werkgever namelijk de houder van de geldsom voor de eigenaar en degene die houder is, wordt nooit bezitter van de geldsom. Bezit is namelijk het houden voor zichzelf (dus niet voor degene die eigenaar is van de geldsom). Zonder de geldsom te bezitten, kun je nooit eigenaar van de geldsom worden.    

Kan de werkgever onder alle omstandigheden een door de werknemer onder diensttijd gevonden geldbedrag opeisen?
Ik meen van niet. Als de vondst niets te maken zou hebben gehad met de aan de werknemer opgedragen werkzaamheden, dan kan een werknemer hoogstwaarschijnlijk wel als vinder worden gekwalificeerd. In de door mij besproken zaak moest de werknemer printers uit elkaar halen van de werkgever. De werknemer vond het geld dus in de uitoefening van zijn taak.

Indien de werknemer bijvoorbeeld door eigen handelingen, die dus geen enkel verband houden met de aan hem opgedragen taak, een vondst zou doen, dan is het zeer wel verdedigbaar om te stellen dat hij dan wel als vinder gekwalificeerd dient te worden.

Ron Crombaghs 

 

1. artikel 5:5 BW

2. artikel 5:5 BW

3. ECLI:NL:GHDHA:2017:33, 17 januari 2017

4. In deze zaak is het antwoord op die vragen niet relevant.

5. Doordat de werkgever geen eigenaar van het geld is geworden, kon het Openbaar Ministerie mijns inziens geen vervolging instellen.

 

 

Goede kennis van de klant komt de kwaliteit van de advisering ten goede en genereert toegevoegde waarde.
In de rechtszaal van het geweten wordt altijd zitting gehouden.