Hof blijft uitgaan van een vergoedingsrente die hoger ligt dan de rente op spaarrekeningen

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-07-2017, ECLI:NL:GHARL:2017:6419

Dolgelukkig koop je samen een woning met je partner. Je wordt samen eigenaar. Na verloop van tijd vervliegt helaas het geluk en willen beiden hun eigen weg gaan. Samenwonen lukt dan vaak niet meer en één van de twee vertrekt naar een ander woonadres.

De oude woning is er dan nog. Daarbij komt een aantal vragen op. Voor wiens rekening komen bijvoorbeeld de lopende lasten en hoe zit het met de aftrek van hypothecaire rente? Los van dit alles, moet die gezamenlijke woning dan ook nog verdeeld worden. In sommige gevallen duurt het regelen  daarvan erg lang. In een aantal gevallen kan dat oplopen tot enkele jaren. Zeker als er sprake is van overwaarde (de woning is meer waard dan de hypothecaire schuld) kan dit voor de vertrokken partij pijnlijk zijn. Deze kan al die tijd niet beschikken over zijn aandeel in de woning, terwijl de andere partij het woongenot heeft. Moet die vertrokken partij hiervoor niet worden gecompenseerd?

De wet geeft hiervoor niet een echt duidelijke oplossing. Gelukkig hebben rechters al enige tijd geleden besloten, dat er in dat geval recht kan bestaan op een vergoeding. De vraag is dan nog:  hoe moet je die vergoeding dan berekenen?

Een veel gebruikte methode is die waarbij de rendementsschade moet worden vergoed. De gedachte is daarbij, dat indien deze partij gewoon zijn aandeel had gehad, hij hierop rendement had kunnen krijgen. Bijvoorbeeld door het bedrag op een spaarrekening te zetten. Vergoed moet dan worden dit misgelopen rendement over de periode dat de woning onverdeeld was.  

Hoe hoog is dan dit rendement? Rechters keken voor de hoogte van dit rendement naar de hoogte van de rente op spaarrekeningen. Nog niet zo heel lang geleden werden wel percentages toegekend van 4% of meer. Maar met de daling van de spaarrente gingen ook deze percentages omlaag. Gelet op het voorgaande is dat niet zo onbegrijpelijk. Ook op een spaarrekening had de vertrokken partner niet veel rente ontvangen.

Omdat de daling van de rente zich echter steeds verder heeft voortgezet, komt de vraag op of dit nog wel een goede methode is. Bij een rente naderend naar nihil, is er steeds minder reden voor de zittende partner om aan een verdeling mee te werken. Deze geniet dan eigenlijk van een wel heel aantrekkelijke lening. Bovendien wil de vertrokken partner het bedrag ook helemaal niet op een spaarrekening zetten. Je kunt met dat bedrag allerlei mooie, leuke en nuttige dingen doen. Het is nu juist vervelend dat je er lang niet over kunt beschikken. Als dan alleen maar een rente van bijvoorbeeld 0,5% wordt vergoed lijkt dat geen eerlijke compensatie.

Of deze gedachte bij het Hof Arnhem-Leeuwarden een rol heeft gespeeld is niet helemaal duidelijk. In het argument van de zittende partner, dat de rente die hij moet vergoeden maximaal 1% zou mogen zijn (waarbij hij wijst naar de dalende spaarrente) gaat het hof in ieder geval niet mee. Het hof stelt dat het gebruikelijk is om uit te gaan van 2,5% en dat het hof geen redenen ziet om daarvan af te wijken. Een erg sterk argument is dat natuurlijk niet, maar de gedachte dat hiermee een bodem is bereikt is zeker verdedigbaar.

 

In de rechtszaal van het geweten wordt altijd zitting gehouden.
Goede kennis van de klant komt de kwaliteit van de advisering ten goede en genereert toegevoegde waarde.